Kimmie in IJsland

Dit is de website van mijn christelijke missie naar het wijdse Eischland.

vrijdag, oktober 20, 2006

Drie verhalen

IJslanders zijn gek.
Stel je dit scenario voor: je zit in een auto met een paar IJslanders, de temperatuur gaat onder de nul graden en je stopt ergens in een tankstation in een plaatselijk godvergeten gat. Een normale wereldburger zou vlug bezine tanken en doorrijden, voor er ijsberen komen toegesneld of de diesel in de benzinetank verandert in een ijsklomp. Niet zo de IJslander. Moet je deze knaap zien, badend in het zweet.
























En dan is er nog Aslaug. Vanmiddag zag ik een fles Whiskey in het Hjálprædisherinn staan, waar ik werk. De fles was groot en voor nog een goede driekwart gevuld. Nu moet je weten dat alcohol in het Hjálprædisherinn totaal verboden is. Het is zoiets als de pastoor die een intiem dineetje bij kaarslicht met een non heeft. De mannen van het leger des heils mogen geen alcohol drinken of roken en het hele hotel is dus alcoholvrij (voor mij geldt de regel niet, ik woon bij gastouders en mag drinken wat ik wil).
Maar goed, ik zag dus die fles staan, die naar IJslandse prijzen een klein fortuin waard was - minstens 100 euro, mijn halve maandloon - en ik ging naar de receptie en vroeg dan ook van wie die fles was en of ik ze mocht hebben. "Welke fles?" vroegen ze me. Ze hadden ze klaarblijkelijk niet opgemerkt. Dus haalde ik de fles uit de keuken. Hun gezichten waren goud waard. Iedereen keek verbijsterd en ontzet naar dit staaltje van ketterij. Alcohol was verboden, ja. Maar dit was niet een gewone Slechte Bierfles. Dit was nog erger. Dit was de Grote Boze Whiskey-fles, een graad erger nog. Niemad had ooit gedacht dat zo'n fles ooit het gebouw zou binnenraken en zelfs zonder dat zij het hadden gezien. Ja, wie deze fles in het Hjálprædisherinn had binnengebracht, moest wel goed gek geweest zijn. Ze hadden de schuldige zo op straat gezet, hadden ze het geweten wie het was.
Maar goed. Kimmie dacht zijn slag te slaan en zei met zijn breedste glimlach dat hij de fles wel wilde hebben - zij mochten toch niet drinken, dacht ik grijnzend van vreugde en verheugd over mijn sluwheid, dus konden ze ook niets met de fles doen. En ik nu eenmaal wel. Billijk en eerlijk zou het zijn. Aslaug dacht er anders over. Ze ritste de fles uit mijn handen, stapte naar de gootsteen en kapte alle whiskey in de gootsteen, iets mompelend in het Noors. Alcohol was slecht, verderfelijk, of zoiets. Ik moet zeggen dat ik hier nog nooit zo verbijsterd geweest ben als toen. Whiskey is niet echt het lekkerste dat er is en een alcoholieker ben ik ook niet, maar om een fles van meer dan 100 euro zomaar door de gootsteen te kappen moet je toch ook wel een vijs mankeren.





En dan was er nog de bedelaarster. Moet je weten, dat wij bij het Leger des Heils zowaar gratis eten uitdelen. Boffen de daklozen hier maar eventjes, want het is best goed voedsel: vlees en groenten en brood, en allemaal vers. Als je dat weet en je ziet drie straten verder een bedelaarster met ongewassen haar en twee plastiek zakken in de vuilnisbakken naar eten zoeken, dan denk je: hé, laat ik die arme vrouw toch even zeggen dat ze twee straten verder gratis en voor niets elke dag goed voedsel kan krijgen. Dan is mijn goede daad voor vandaag weeral gesteld en moet ik geen oud vrouwtje helpen oversteken. Even zag ik haar en mij in mijn verbeelding aan een tafeltje zitten, een half jaar later, als boezemvrienden. Ik die haar gered had en zij die dankzij mijn welwillende hulp nu een job had op het ministerie.
Dus stap ik op die vrouw af en start met de geniale oneliner: "Talar þú ensku?" - "Klapte gij Engels, madam?". Het hoofdje, ijverig in de vuilbak rondkijkend, was plots onbeweeglijk. Toen draaide het zich om. Twee ogen keken me totaal verbijsterd aan. Nee, las ik in de ogen, jij stomme toerist, natuurlijk spreek ik geen Engels. Zie je dat dan niet, ik ben dakloos, als ik Engels kon, had ik toch zeker een job op het ministerie en zat ik toch niet hier in de vuilnisbakken naar eten te zoeken. En ze draaide zich om en liep weg. Toen ik op die sublieme manier haar vertrouwen gewonnen had, liep ik achter haar aan en begon ik - onderwijl wanhopig met mijn armen zwaaiend en mijn intussen beruchte brede glimlach opzettend - in mijn beste IJslands uit te leggen dat er twee straten verder gratis eten was en dat ze er gewoon naar toe moest gaan. Dat ze wel een beetje moest meewerken als ik eens een goede daad wilde stellen. Dat het eten goed was en dat ik het mee gemaakt had. Dat we Smjörvi hadden, je weet wel mevrouw, de keigoede boter die God op de zevende dag geschapen had. Met elke zin die ik zei, keek de vrouw sceptischer. Ze moet hebben gedacht dat ik haar met een goedkope truuk naar een afgelegen straatje wilde lokken, haar verkrachten en vermoorden en vervolgens met haar twee plastieken zakken vol vuilnisbaketen aan de haal wilde gaan, want ze deinsde naar achteren en keek me met ogen groot als schotelbordjes. "Blijf van mijn twee zakken af", stond er nu in de ogen te lezen. Uiteindelijk begon ze te roepen en liep zo snel ze kon weg, ondertussen luid om hulp roepend. Dat was te veel voor mij. Ik kreeg de slappe lach. Het was toch gewoon een totaal hilarische situatie. Want hoe kan je nu nee zeggen tegen Smjörvi?

zondag, oktober 15, 2006

Akureyri, Dalvík en Mývatn

De bevolking van IJsland is een grote familie. Neem twee modale IJslanders en vergelijk hun stamboom - na gemiddeld zeven generaties zal je bij dezelfde voorouders terugkomen. Je kan dat op verschillende manieren merken. Eerst en vooral zie je het aan hunne kop - IJslanders zien er vaak vrij gelijkaardig uit, omdat ze nu eenmaal afstammen van diezelfde ene bisschop die zijn job niet goed deed. Nog een chance dat hij niet spuuglelijk was.
Je ziet het tweedens ook aan het hoge aantal psychologische gestoorden. Inteelt is hier een serieus probleem. Misschien dat ik dat gegeven nog wel het beste illustreer met het citaat van een IJslandse die tot een EVS'er sprak: "Friend, search an Icelandic girlfriend! We have to refresh our gene pool!". Juist ja. Sommige IJslanders vertellen mij dat niet de inteelt, maar het koude weer en de wind op de hersenen van mensen inwerkt en dat er daarom zoveel gestoorden in IJsland zijn.
Je ziet ook dat de bevolking klein is als je lift. (Niet dat de mensen je hier altijd meenemen als je hier lift, maar er zijn er toch wel wat, zodat je met vrij grote zekerheid wel geraakt waar je wil zijn. Tenminste als je lift op een baan waar er auto's rijden, wat in een dun bevolkt land niet altijd vanzelfsprekend is.) IJsland is een van die weinige landen ter wereld waar je veilig kan liften, en waar, als je dat doet, de bestuurder van de wagen je vaak zegt: "hoor je die vrouw hier op de radio zingen? Dat is mijn nicht." Of: "Die politieker die je daar hoort, da's een vriend van mijn nonkel." Twee van de acht IJslanders met wie ik ben meegereden, vertelden me dat ze al met de president of de eerste minister gesproken hebben of met hem op de foto staan. IJslanders maken er ietwat overdreven zelfs grappen over dat hier zo weinig mensen wonen - volgens hen is het in IJsland onmogelijk om een triootje te doen waarbij geen van de aanwezigen elkaar niet kent.

Dit weekend in Akureyri geweest, de hoofdstad van het noorden, 500 kilometer en vijf auto's liften verwijderd van Reykjavík. Hier nog wat fotootjes.

















Speciaal voor ons moeder: Ijslandse bloemekes. Zeg nu nog eens dat ik geen voorbeeldige zoon ben.
















Enkele EVS-vrijwilligers: links Diego, Noemi (Italië, 24), Christina (Duitsland, 19) en Paula (Duitsland, 19). Allemaal heel toffe mensen, waarmee ik dit weekend heb doorgebracht.
















Op de terugweg naar Reykjavík op een hoogvlakte (400 meter): een kleine sneeuwstorm (15 oktober).
















IJslandse service. Een computer langs de weg, in regen en wind, voor publiek gebruik.
















Dalvík. Een klein kuststadje aan de Eyjafjörður in het noorden van IJsland. Te herinneren voor zijn haventje en de doordringende stank van vers zeewier.















Nog eens de bergen, maar dan zonder Diego. In de 19de eeuw dreven hier vaak ijsbergen van Groenland de fjord binnen. Soms zaten daar zelfs nog uitgehongerde ijsberen op, die hier afstapten en boel zochten met de Dalvíkers.
















De Gúðafoss, de waterval van de goden.






























En nog twee keer.

















Langs Mývatn, het Muggenmeer. Een plek die niet goed op foto's te vatten is, en misschien nog wel het beste met Tolkiens Mordor te vergelijken valt. Hier kom ik ooit nog eens terug, als de hemel er dreigend grijs uitziet of ('s avonds) bloedrood.
















Herfst in IJsland.















Rike, 19, Duitsland, bij Mývatn.

woensdag, oktober 04, 2006

Richting Jökulsárlon
















een supercoole rotsformatie, die Diego en ik ontdekten toen we een paar uur langs een heel moeilijk en gevaarlijk paadje geklauterd hadden, ergens in de middle of nowhere. Ik denk niet dat er meer dan honderd mensen zijn die dit ooit bezocht hebben.















































ergens onderweg. We besloten naar een gletsjertong te rijden, die we in de verte zagen.










Robert, luttele seconden voor hij in de afgrond verdween ;).












Op de foto komt het niet zo over, maar dit is veruit het coolste dat ik ooit gezien heb: Jökulsárlón, een meer met ijsblokken van de vatnajökull, de grootste gletsjer van IJsland. Jammer genoeg schemerde het al toen we aankwamen bij het meer, en de foto's zijn dan ook iets minder spectaculair. Op de voorgrond Diego.



















































































Persoonlijk vind ik dit misschien wel een van mijn coolste foto's :)
























Ikke, bij een waterval.















Vík, een stadje met een strand met zwart zand en een vreemd soort golven. Eigenlijk was bijna alles vreemd op die plaats.


























































Jitka van tsjechië op het strand van Vík.